IFFR 2026
Twee dagen, acht films
Vrijdag 30 januari begon vroeg, zoals dat hoort op het IFFR: koffie en croissant in de hand, je muts en sjaal rennend verliezend om op tijd in de rij te staan voor al die uitverkochte zalen, maar verder 100% klaar om ons twee dagen te laten onderdompelen in filmbeeld.
The History of Sound zette meteen de toon. Deze “Bitterzoete kroniek van de relatie tussen twee muziekstudenten begin twintigste eeuw”, met Paul Mescal en Josh O’Connor, was heel knap, universeel en zat vol prettige dubbele lagen. Ga hem zien als je de kans krijgt!
Meteen daarna schakelden we moeiteloos over naar Butterfly, wat raarder, intiemer, en soms wat ongemakkelijk: twee Noorse zussen ontmoeten elkaar na lange tijd op Gran Canaria na de dood van hun moeder en er komt vanalles naar buiten. Goed gespeeld wel, maar de film dwarrelt toch (net als hun moeder, the Butterfly Lady) alle kanten op en kan niet helemaal bevredigen.
Met Life Is Life keerden we terug naar de Doelen en naar Italië. Heel sterk en aangrijpend dit moderne David en Goliath-verhaal over een koppige Sardinische boer en de macht van het grote geld als ze appartementen rondom zijn familiehuis willen bouwen. Tranen in mn ogen als hij naar jaren de overwinning binnenhaalt. Gaat dat zien, een juweeltje!
Inmiddels voelde het alsof de dag al een kleine week duurde -- op de goede manier dan. De vrijdag werd afgesloten in het Oude Luxor met Father Mother Sister Brother van Jim Jarmusch, waarvoor een extreem lange rij stond. Wat hiervan te denken? Werden hier stroopwafels verkocht? Nou ja zoiets, want er bleek een filmster bij de Q&A aanwezig: Cate Blanchett zelf en dat hadden we dus even gemist.
De film zelf - want daar gaat het natuurlijk om - was lekker eigenwijs en als je van het Jarmusch-stijltje houdt, ben je vast meteen om. Maar het was ook een beetje sloom, soms wel echt geestig, maar het clowneske lag vaak net té dichtbij (naar mijn smaak) om je écht te raken, terwijl het als comedy weer net niet grappig genoeg was. Desalniettemin genoeg te genieten: goed spel, absurde humor, en boordenvol pijnlijke momenten.
Tegen middernacht liepen we naar buiten met dat typische festivalgevoel: moe, vol beelden en zeer tevreden.
Dan dag twee. Zaterdagochtend begon al vroeg met Late Fame. De wekker gezet om op tijd te zijn voor dit “gevoelige portret van de New Yorkse poëziescene”. Zaal wederom uitverkocht, en dat op dit tijdstip. William Dafoe speelt dan ook een indrukwekkende vergeten dichter die opnieuw populair wordt, wat draagt hij mooi voor. Wow!
Daarna A Survivor’s Tale, rauw, sprookjesachtig en confronterend. Deze kostuumfilm, met waarschijnlijk niet de budgetten van bijv. een Game of Thrones, moest wellicht daarom ietsje langer op me inwerken voor ik overtuigd werd, maar daarna kruipt dit middeleeuwse sprookje over een ijzersterke adelijke dame die wordt uitgehuwelijkt aan een verre bloedverwant en onderweg zwanger wordt door een verkrachting diep je hart in. Een bewonderenswaardige prestatie van regisseur Micha Wald en zijn actrice Salomé Dewael!
Met Krakatoa keerden we weer terug naar de werkelijkheid. “De meeslepende reis van de Javaanse visser”, zoals de beschrijving luidt, bestaat hooguit in de dromen van deze maker. De film blonk vooral uit in langdradigheid, met experimentele shots die meer aan een installatie in een of ander vaag kunstmuseum doen denken, dan aan onderhoudend drama. De soundtrack verdiende wel een pluim, alleen al om het geduld om dat allemaal te maken, onder zulke waardeloze beelden. De halve zaal lag te snurken, ondanks dat het geluid te keer ging als een gek. Maar ach dat hoort ook bij een filmfestival.
De afsluiter, Fuori, voelde als een passende punt achter twee intensieve dagen. Na het zien van deze film wil je niets anders dan verhalen van auteur Goliarda Sapienza lezen op een terrasje ergens te Rome. Italiaanse betovering als de auto’s gestolen worden en wanneer een hele gevangenis spontaan een opera mee gaat zingen. Een film die ruimte laat, en je vol vragen en verlangens naar huis stuurt. Precies wat je wilt aan het einde van zo’n weekend.
Acht films in twee dagen is best veel, maar dit is precies waarom we er al jaren komen: voor deze overdaad. De volle zalen, de verrassingen, de nagesprekken maken het tot een mini-vakantie. Het festival duurt nog de hele week!.
